Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 maart 2002

Alinea 53 Parket bij de Hoge Raad 1 maart 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 maart 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD7342.

In zaaknr. C01/098HR, waarin eveneens vandaag wordt geconcludeerd, is dezelfde vraag (uiteraard: in een andere feitelijke context) aan de orde. In de in die zaak genomen conclusie verdedig ik dat de in middelonderdelen 5 en 6 bedoelde regel - laatstelijk bevestigd bij HR 2 november 2001, RvdW 2001, 172 - niet geldt voor vorderingen die geen verband houden met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, en waarmee bij de vaststelling van een vergoeding in het kader van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst (dan ook) geen rekening is gehouden. Ter voorkoming van onnodige herhaling veroorloof ik mij, te verwijzen naar wat in de genoemde conclusie wordt verdedigd(25). Dat leidt tot de uitkomst dat ik de onderdelen 5 en 6 van het middel als niet gegrond beoordeel.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/901d147269aab3e8df133e098be7bf77078e78657d36860386faa05726fdcb95. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 901d147269aab3e8df133e098be7bf77078e78657d36860386faa05726fdcb95, en de alinea staat in dat document op bytes 29292 tot 30079.