Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 februari 2002

Alinea 80 Parket bij de Hoge Raad 8 februari 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 februari 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD7381.

3.1.5 In de s.t. wordt betoogd dat in cassatie (veronderstellenderwijs) moet worden aangenomen dat [eiser] de urenverantwoordingsstaten tijdig heeft ingediend (onder 9). Dat lijkt mij niet juist. Uit rov. 5.19 van het tussenvonnis van 18 augustus 1999 en eveneens uit het eindvonnis (rov. 4.2) blijkt dat de Rechtbank, evenals de Kantonrechter, het er rechtens voor houdt dat van een reëel protest van [eiser] geen sprake was. Dit oordeel kan moeilijk anders worden begrepen dan aldus: rechtens geldt dat [eiser] niet (op ter zake dienende wijze) heeft geprotesteerd, derhalve al helemaal niet tijdig. Dat oordeel is in cassatie niet bestreden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b9e68801027824c55105471d149d1f0e026ee169aed8576a5bcec9003a2d0553. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b9e68801027824c55105471d149d1f0e026ee169aed8576a5bcec9003a2d0553, en de alinea staat in dat document op bytes 24988 tot 25646.