Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 augustus 2002

Alinea 172 Parket bij de Hoge Raad 9 augustus 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 augustus 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD7696.

2.34. Ik meen echter dat ik deze kwestie kan laten rusten. Er zijn ten processe geen feiten en omstandigheden gesteld of gebleken, waaruit kan worden afgeleid dat een zaakvoerder als een bestuurder in vorenbedoelde zin moet worden aangemerkt. Bovendien zou hier vreemd recht (Belgisch vennootschapsrecht) moeten worden uitgelegd en daaraan wagen wij ons in cassatie niet.(36) Voorts is het zo dat zowel F als A hun zaakvoerderschap onbezoldigd hebben uitgeoefend. Zij kregen weliswaar een beloning maar die was kennelijk bedoeld voor het art. 15-handwerk en niet voor het art. 16-denkwerk. Kortom, art. 16 Verdrag NLD-BEL verdwijnt wat mij betreft weer net zo snel uit beeld als het erin is gekomen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f412c71e8517c94f06628f46cdd96f57ff41aacf324d816a2800ae1398ba6ccd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f412c71e8517c94f06628f46cdd96f57ff41aacf324d816a2800ae1398ba6ccd, en de alinea staat in dat document op bytes 53080 tot 53792.