Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2002

Alinea 24 Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD7780.

Anders dan de steller van het middel veronderstelt, behoefde het hof dit door de verdediging aangevoerde niet op te vatten als een beroep op schending van art. 6, derde lid, onder d EVRM, meer in het bijzonder van het recht op tegenonderzoek. Van de verdediging mag worden gevraagd dat een te voeren verweer uitdrukkelijk wordt voorgedragen (vgl. HR 14 maart 1989, NJ 1989, 689). Het door de verdediging aangevoerde heeft het hof kennelijk, en dit is niet onbegrijpelijk, slechts opgevat als een algemene opmerking omtrent de bruikbaarheid van het bedoelde proces-verbaal. De omstandigheid dat het recht op tegenonderzoek illusoir is geworden impliceert immers geenszins dat de verdachte dit recht ook daadwerkelijk wenste uit te oefenen. Hierop behoefde het hof derhalve niet nadrukkelijk te responderen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/30c7dcd0eff49b57409559fcc1468c6e6a1ff95d600d2d2ee9e761295fb0c5e8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 30c7dcd0eff49b57409559fcc1468c6e6a1ff95d600d2d2ee9e761295fb0c5e8, en de alinea staat in dat document op bytes 12259 tot 13077.