Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2002

Alinea 50 Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD7780.

32. In het middel wordt nu een beroep gedaan op HR 1 juni 1999, NJ 1999, 567, m.nt. Sch (kroongetuige). Op grond van dit arrest moet worden aangenomen dat niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in beeld kan komen indien sprake is van ernstige schending van een zó fundamenteel beginsel van een behoorlijke procesorde dat het belang van verdachte niet meer doorslaggevend is. De steller van het middel miskent dat omtrent schending van zo'n fundamenteel beginsel in hoger beroep niets is aangevoerd. Het hof heeft hieromtrent voorts niets vastgesteld. Daarbij dient te worden opgemerkt dat in 's hofs overwegingen besloten ligt dat slechts sprake is van een enkele omissie in de opgemaakte processen-verbaal. Dit laatste strookt ook met de strekking van het gevoerde verweer zoals terug te vinden op p. 3 en 4 van de pleitnota in eerste aanleg: de waarneming van een getuige is onjuist weergegeven. Het middel faalt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/30c7dcd0eff49b57409559fcc1468c6e6a1ff95d600d2d2ee9e761295fb0c5e8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 30c7dcd0eff49b57409559fcc1468c6e6a1ff95d600d2d2ee9e761295fb0c5e8, en de alinea staat in dat document op bytes 25658 tot 26598.