Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2002

Alinea 36 Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD7804.

4.3. De steller van het middel wijst erop dat ten aanzien van de feiten 6, 9, 10, 13 en 16 niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid van wie verzoeker de betreffende goederen heeft verkregen en derhalve ook niet of verzoeker te dier zake regelmatige contacten onderhield met de dieven van die goederen. Aan dat gegeven verbindt de steller van het middel de conclusie dat voor die feiten het bewijs van opzet niet toereikend is. Naar mijn inzicht berust het middel op een verkeerde lezing van 's hofs overweging. Die houdt immers in dat verzoeker contact had met de plegers van (een aantal van) de diefstallen waarvan bij verzoeker de buit is aangetroffen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/01eac2f4a9722053fad8ba5ecebf63b491b5209f847c1bad238753b36cc75470. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 01eac2f4a9722053fad8ba5ecebf63b491b5209f847c1bad238753b36cc75470, en de alinea staat in dat document op bytes 15879 tot 16553.