Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 maart 2002
Alinea 79 Parket bij de Hoge Raad 8 maart 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 maart 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD8178.
2.20 Het onderdeel stelt de vraag aan de orde, of in de rov. 21 en 22 van het prejudiciële arrest inzake Upjohn/Farzoo elkaar overlappende, dan wel op elkaar aansluitende categorieën substanties worden beschreven. Rov. 21 betreft de substanties die kunnen inwerken op het eigenlijke functioneren van het organisme. Rov. 22 betreft de substanties die weliswaar inwerken op het menselijk lichaam (het HvJ EG spreekt hier niet van het eigenlijke functioneren van het organisme), maar "niet echt de stofwisseling beïnvloeden en dus eigenlijk niet de omstandigheden wijzigen waarin het (menselijk lichaam, LK) functioneert". Volgens het hof zondert rov. 22 van het prejudiciële arrest een aantal van de in rov. 21 bedoelde substanties uit. In deze opvatting zal het voor de toepassing van het toedieningscriterium niet voldoende zijn dat de betrokken substantie op het eigenlijke functioneren van het organisme inwerkt. Volgens Upjohn vallen de in rov. 21 omschreven substanties zonder uitzondering onder de werking van het toedieningscriterium. Rov. 22 omschrijft in deze opvatting slechts (bepaalde) substanties die niet op het eigenlijke functioneren van het organisme kunnen inwerken. In verband met de aanhef van rov. 22 van het prejudiciële arrest ("Op grond van dit criterium kunnen evenwel niet die substanties worden geacht daaronder te vallen (...)") ben ik geneigd het standpunt van Upjohn te delen, alhoewel in de literatuur ook wel van de andere uitleg (die van het hof) wordt uitgegaan.(18) Welke opvatting moet worden gevolgd, acht ik intussen van louter hypothetisch belang. Hoe men ook over de verhouding tussen rov. 21 en 22 van het prejudiciële arrest denkt, het staat vast dat men de (nadere) criteria van rov. 22 niet zal kunnen negeren. In de opvatting van Upjohn zal moeten worden aanvaard, dat een substantie slechts op het eigenlijke functioneren van het organisme inwerkt, als het (in de zin van rov. 22) de stofwisseling echt beïnvloedt en dus eigenlijk de omstandigheden wijzigt waarin het menselijk lichaam functioneert. In haar consequenties verschilt deze opvatting niet van die van het hof, waarin de effecten van een substantie al sneller als een inwerking op het eigenlijke functioneren van het organisme kunnen gelden, maar waarin het voor de toepasssing van het toedieningscriterium eveneens op de (nadere) criteria van rov. 22 aankomt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8d6081954d96f2e0bf0ba82d82b75325c6e417b08a8b6a637e2e49fdb4c55735. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8d6081954d96f2e0bf0ba82d82b75325c6e417b08a8b6a637e2e49fdb4c55735, en de alinea staat in dat document op bytes 32977 tot 35365.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/8d6081954d96f2e0bf0ba82d82b75325c6e417b08a8b6a637e2e49fdb4c55735 | shasum -a 256