Citaat | Parket bij de Hoge Raad 25 oktober 2002
Alinea 48 Parket bij de Hoge Raad 25 oktober 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 25 oktober 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD8499.
Art. 28, lid 2, 1e volzin, AWR Stb. 1959, nr. 301, houdt in: "Het beroepschrift moet zodanig zijn ingericht, dat daaruit een conclusie kan worden getrokken aangaande het belastingverdrag ... waarover het geschil loopt." In mijn conclusie voor HR 29 juni 1977, BNB 1977/194 met noot Den Boer, vermeldde ik gegevens over de vraag, of de rechter aan de aldus omschreven onderste grens van het geschil is gebonden (blz. 884, regel 34, - blz. 885, regel 3). Uit HR 9 april 1958, BNB 1958/174 met noot A.J. van Soest, blijkt, dat een belanghebbende een uitspraak van een Gerechtshof, waarin hij ten volle in het gelijk gesteld is, in cassatie met vrucht kan bestrijden, indien een gegronde rechtskundige beschouwing tot een voor hem nog gunstigere uitkomst leidt. Het wil mij voorkomen, dat a fortiori het gerechtshof, dat een rechtskundige zienswijze juist acht die gunstiger is voor de belanghebbende dan diens eigen rechtskundige opvatting, de uitspraak op die gunstigere zienswijze behoort te baseren.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b586cc15e907984e5aa4a4bb72f7cd98ba8c8bba929c62a6e674a58d4fd24036. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b586cc15e907984e5aa4a4bb72f7cd98ba8c8bba929c62a6e674a58d4fd24036, en de alinea staat in dat document op bytes 15011 tot 16023.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/b586cc15e907984e5aa4a4bb72f7cd98ba8c8bba929c62a6e674a58d4fd24036 | shasum -a 256