Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 januari 2002
Alinea 31 Parket bij de Hoge Raad 29 januari 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 januari 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD8646.
3.7. De veronderstelling die aan 's hofs oordeel ten grondslag ligt dat twee feiten die door tijdsverschil meerdaadse samenloop opleveren niet als hetzelfde feit als bedoeld in art. 68 Sr kunnen worden beschouwd, is onjuist. Onder omstandigheden zullen strafbare feiten die volgens de samenloopregelingen ná elkaar zijn begaan voor de toepassing van art. 68 Sr toch als hetzelfde feit worden beschouwd. Zie bv. HR NJ 1995, 252, waarin de vraag of het invoeren van een partij verdovende middelen in België vanuit Nederland hetzelfde feit betrof als het uitvoeren van diezelfde partij uit Nederland naar België door het hof ontkennend werd beantwoord. De Hoge Raad oordeelde anders: bij een transport van een partij verdovende middelen van Nederland naar een ander land gaat het uit de aard van de zaak om het in Nederland vervoeren en buiten het grondgebied van Nederland brengen van die verdovende middelen en het in dat andere land invoeren en verder vervoeren van de partij. 's Hofs oordeel dat de verschillende gedragingen niet gelijktijdig en niet op dezelfde plaats zouden zijn begaan miskent dat het bij grensoverschrijdende transporten kan gaan om handelingen die als één feitencomplex worden aangemerkt(6). Denk bijvoorbeeld ook aan de situatie dat iemand met één schot twee mensen neerschiet, omdat de kogel die het eerste slachtoffer (A) in de arm raakt na het verlaten van diens lichaam ricocheert en vervolgens een tweede persoon (B), die in de buurt van het eerste slachtoffer stond, in zijn been treft. Dit zal in het algemeen meerdaadse samenloop opleveren, nu sprake is van twee afzonderlijke misdrijven, bijvoorbeeld poging tot doodslag op persoon A en poging tot doodslag op persoon B. In feite is evenwel, net als bij de hierboven genoemde zaak, sprake van één materieel feitencomplex dat te ontleden is in diverse strafrechtelijke entiteiten. Wanneer de verdachte uit het voorbeeld voor de poging tot doodslag op persoon A onherroepelijk wordt veroordeeld en vervolgens voor de zaak met betrekking tot persoon B afzonderlijk wordt vervolgd, zal een rechter naar mijn smaak het Openbaar Ministerie in de tweede zaak dan ook niet-ontvankelijk plegen te verklaren wegens schending van het in art. 68 Sr neergelegde ne bis in idem-beginsel.(7) Hoewel beide feiten elkaar in tijd opvolgen zijn zij toch, gelet op de wezenlijke samenhang van schuld en handelen van verdachte, als één materieel feit in de zin van art. 68 Sr te beschouwen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3f8df0fe47d75303e3955600cfb12f117c54fc910bc889a2704ef5a02fe3ae74. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3f8df0fe47d75303e3955600cfb12f117c54fc910bc889a2704ef5a02fe3ae74, en de alinea staat in dat document op bytes 13226 tot 15703.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/3f8df0fe47d75303e3955600cfb12f117c54fc910bc889a2704ef5a02fe3ae74 | shasum -a 256