Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 april 2002

Alinea 18 Parket bij de Hoge Raad 9 april 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 april 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD8737.

8. Ik acht die klacht gegrond. De Advocaat-Generaal geeft in de toelichting op het middel een goed overzicht van de litteratuur en de rechtspraak over de betekenis van de gedoogbeschikking. Ik zie ervan af dat hier te herhalen. De slotsom van de standpunten in de litteratuur is door Hendriks in zijn noot onder het arrest van het Hof in deze zaak in het jurisprudentiekatern van M&R, juli/augustus 2000, nr. 66, zakelijk als volgt weergegeven: Sommigen menen dat de aanwezigheid van een gedoogbeschikking betekent dat de strafbaarheid aan het handelen zonder vergunning ontvalt, indien de voorwaarden van de gedoogbeschikking zijn nageleefd. Tegenstanders van dat standpunt menen dat de aanwezigheid van een gedoogbeschikking het handelen zonder vergunning nimmer kan rechtvaardigen. Voor- en tegenstanders van een rechtvaardigende werking van de gedoogbeschikking zijn het erover eens dat een gedoogbeschikking formeel niet gelijk kan worden gesteld met een vergunning. Kortom in de litteratuur is voor de opvatting van het Hof dat een gedoogbeschikking onder omstandigheden gelijk kan worden gesteld aan een vergunning geen steun te vinden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/68ca9ce047952b721464ba8a825dc17f4fc6cb69d608fcfac6007bd59e7e2746. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 68ca9ce047952b721464ba8a825dc17f4fc6cb69d608fcfac6007bd59e7e2746, en de alinea staat in dat document op bytes 11412 tot 12572.