Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 april 2002
Alinea 39 Parket bij de Hoge Raad 16 april 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 april 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD8863.
12. Zoals ook is vooropgesteld in de in het middel genoemde arresten HR 13 mei 1997, NJ 1998, 318 m.nt. Sch., HR 30 maart 1999, NJ 1999, 451 m.nt. 'tH, HR 27 januari 1998, NJ 1998, 404 m.nt. JR en HR 27 juni 2000, NJ 2000, 580 heeft als uitgangspunt te gelden dat het is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht, zonder dat hij van zijn oordeel over de keuze en de betrouwbaarheid van het gebezigde bewijsmateriaal nadere rekenschap hoeft af te leggen. Door de wetgever en door de Hoge Raad zijn op dit uitgangspunt uitzonderingen aangebracht, op grond waarvan nadere redengeving van de feitenrechter wordt verlangd omtrent de betrouwbaarheid van het door hem gebezigde bewijsmateriaal (zie voor een overzicht van de rechtspraak op dit punt de conclusie van mijn ambtgenoot Wortel voor HR 27 juni 2000, NJ 2000, 580).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e46c8abe4271c827be39d6f5d24e87623c4d623b63e779a261551dcceda44bda. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e46c8abe4271c827be39d6f5d24e87623c4d623b63e779a261551dcceda44bda, en de alinea staat in dat document op bytes 15110 tot 16169.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/e46c8abe4271c827be39d6f5d24e87623c4d623b63e779a261551dcceda44bda | shasum -a 256