Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 april 2002

Alinea 54 Parket bij de Hoge Raad 16 april 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 april 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD8863.

18. Naar mijn mening geven de gecursiveerde zinnen in deze verklaring, mede gelet op de context waarin deze moeten worden geplaatst, slechts de bij de getuige opgekomen gedachte weer bij het waarnemen van de door hem beschreven situatie, in samenhang met zijn herinnering aan het tussen `[betrokkene 3]', verzoeker en deze getuige gevoerde gesprek (vgl. bijvoorbeeld HR 30 oktober 1984, NJ 1985, 320; voor een overzicht van de rechtspraak op dit punt zie Melai c.s., art. 342, aant. 21). Van een ongeoorloofde inbreuk op de rolverdeling in het strafproces, in die zin dat door het opnemen van deze getuigenverklaring als bewijsmiddel een voorschot zou zijn genomen op de aan de rechter voorbehouden bewijsbeslissing, is mijns inziens dan ook geen sprake. Ook het derde middel faalt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e46c8abe4271c827be39d6f5d24e87623c4d623b63e779a261551dcceda44bda. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e46c8abe4271c827be39d6f5d24e87623c4d623b63e779a261551dcceda44bda, en de alinea staat in dat document op bytes 22857 tot 23652.