Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 april 2002

Alinea 27 Parket bij de Hoge Raad 16 april 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 april 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD8887.

10. Nu ben ik het met de schrijver van het zo-even genoemde werk eens dat de rechter de vrijheid moet hebben bewijsuitsluiting toe te passen ten aanzien van materiaal dat niet uitsluitend, doch in overwegende mate door onrechtmatig opsporingshandelen is verkregen. Hoe nauw het causaal verband tussen de onrechtmatigheid en het vervolgens vastgelegde bewijsmateriaal zal moeten zijn om tot een redelijke uitkomst te geraken is evenwel afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals de aard van de door opsporingsambtenaren gemaakte fout en het antwoord op de vraag in hoeverre aannemelijk is dat de opsporingsambtenaren het desbetreffende deel van het bewijsmateriaal ook zonder onrechtmatig te handelen zouden hebben achterhaald.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ca2f7e9938bb5baadd03fc52e3a38c5d1e63885140b56572f6ef654f38ff78c5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ca2f7e9938bb5baadd03fc52e3a38c5d1e63885140b56572f6ef654f38ff78c5, en de alinea staat in dat document op bytes 11685 tot 12436.