Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 april 2002

Alinea 31 Parket bij de Hoge Raad 16 april 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 april 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD8887.

13. De verwijzing naar het reeds geruime tijd op het adres van verzoeker ingeschreven staan van de kostganger laat zich aldus begrijpen dat die omstandigheid aannemelijk maakt dat, nu er reeds een verdenking van uitkeringsfraude bestond, het opsporingsonderzoek zich zou hebben uitgestrekt tot de door verzoeker niet opgegeven inkomsten uit het onderdak verlenen aan die kostganger, ook indien die persoon niet was aangetroffen ter gelegenheid van de huiszoeking. Zo verstaan is het oordeel dat het ten aanzien van de kostganger vergaarde bewijs niet uitsluitend ten gevolge van de huiszoeking verkregen is kunnen worden niet onbegrijpelijk.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ca2f7e9938bb5baadd03fc52e3a38c5d1e63885140b56572f6ef654f38ff78c5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ca2f7e9938bb5baadd03fc52e3a38c5d1e63885140b56572f6ef654f38ff78c5, en de alinea staat in dat document op bytes 13925 tot 14580.