Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 maart 2002
Alinea 60 Parket bij de Hoge Raad 12 maart 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 maart 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD8903.
37. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM en art. 14, eerste lid, IVBPR dient volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad voorop te staan dat - zoals het hof ook overwoog - een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een verdachte vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (vgl. HR 16 november 1999, NJ 2000, 335, m.nt.'tH).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f0bbeafe143f333814f49b41b7181473d5414fb10f30b9b8c94ca241830447c6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f0bbeafe143f333814f49b41b7181473d5414fb10f30b9b8c94ca241830447c6, en de alinea staat in dat document op bytes 28182 tot 28856.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f0bbeafe143f333814f49b41b7181473d5414fb10f30b9b8c94ca241830447c6 | shasum -a 256