Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 maart 2002

Alinea 67 Parket bij de Hoge Raad 12 maart 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 maart 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD8903.

43. De ontwikkeling van dit leerstuk heeft de wetgever van 1886 aan de rechtspraktijk en de wetenschap overgelaten. Uit de samenstellende delen van het woord medeplegen volgt dat het enerzijds gaat om samenwerking en anderzijds om een eigen aandeel in de totstandkoming van het strafbare feit, het `mede uitvoeren van een strafbaar feit,' zoals Pompe schrijft (Handboek, 5e, p. 245), en op p. 247: bij medeplegen gaat het om onvolledige uitvoering, `immers eerst volledig in samenwerking met een ander.' Dat daarbij in eerste instantie wordt gedacht aan gelijktijdigheid van handelen en aan gezamenlijke aanwezigheid bij het handelen ligt voor de hand, maar is niet noodzakelijk, zeker niet in de moderne tijd waarin dank zij de telecommunicatiemogelijkheden lijfelijke aanwezigheid van een medepleger ter plaatse van de uitvoering van een delict niet nodig is, terwijl gelijktijdigheid van handelen evenmin noodzakelijk is in al die gevallen waarin het intreden van het door de wet verboden gevolg wordt voorafgegaan door een scala van op het intreden daarvan gerichte handelingen, of waarin de scherp omschreven gedraging zelf voortvloeit uit tevoren beraamde plannen. Het vereiste van een eigen (door de medepleger verrichte) uitvoeringshandeling is reeds in het beroemde geval van de Wormerveerse brandstichting door de Hoge Raad verlaten (29 oktober 1934, NJ 1934-1673 m.nt. T., W 12851 m.nt. Van Bemmelen): de samenwerking kan zo volledig en nauw zijn dat het min of meer toevallig is wie daadwerkelijk de uitvoeringshandeling verricht. De lijfelijk afwezige medepleger stond in het Containerdiefstal-arrest centraal (HR 17 november 1981, NJ 1983, 84, m.nt. ThWvV). Daarentegen leidt de aanwezigheid ter plaatse van een delict niet vanzelf tot het rechtsvermoeden van samenwerking, zoals bleek uit het arrest over de inbraak in de petanqueclub: niet alleen had de verdachte geen uitvoeringshandeling verricht, maar ook bleek niet van een nauwe en volledige samenwerking ter uitvoering van een gezamenlijk plan (HR 19 oktober 1993, NJ 1994, 50 m.nt. ThWvV. Zie uitgebreid: M.M. van Toorenburg, Medeplegen, diss. Tilburg, 1998, p. 137-141).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f0bbeafe143f333814f49b41b7181473d5414fb10f30b9b8c94ca241830447c6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f0bbeafe143f333814f49b41b7181473d5414fb10f30b9b8c94ca241830447c6, en de alinea staat in dat document op bytes 32362 tot 34519.