Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 maart 2002

Alinea 68 Parket bij de Hoge Raad 12 maart 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 maart 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD8903.

44. De nadruk die in de rechtspraak en de literatuur is komen te liggen op de samenwerking heeft de ontwikkeling mogelijk gemaakt dat het er in beginsel niet toe doet wie van de medeplegers welk aspect van de verboden gedraging verricht (HR 17 mei 1943, NJ 1943, 576). Diefstal met geweld, gepleegd door twee of meer verenigde personen is mogelijk ook al heeft een van die personen in het geheel geen uitvoeringshandeling verricht (HR 25 maart 1975, NJ 1975, 270). Het kan wel de vraag oproepen of in het uitblijven van een uitvoeringshandeling het bewijs is gelegen dat de aspirant-medepleger zich op het laatste moment heeft teruggetrokken van de criminele onderneming. Iemand die ter plaatse van de uitvoering van het delict aanwezig is zal hierin een zwaardere dobber hebben dan de afwezige verdachte: diens doorlopende betrokkenheid vereist deels ander bewijs dan die van de bij de uitvoering aanwezige verdachte. De Hullu wijst op het gevaar van gemakzuchtige bewijsmotiveringen in dezen (a.w., p. 439).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f0bbeafe143f333814f49b41b7181473d5414fb10f30b9b8c94ca241830447c6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f0bbeafe143f333814f49b41b7181473d5414fb10f30b9b8c94ca241830447c6, en de alinea staat in dat document op bytes 34539 tot 35562.