Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 maart 2002

Alinea 41 Parket bij de Hoge Raad 19 maart 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 maart 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD8939.

18. Verdachtes raadsman heeft op grond van art 263 Sv verzocht een aantal getuigen ter terechtzitting te doen oproepen. De getuigen zijn niet opgeroepen en evenmin ter terechtzitting verschenen. Ter terechtzitting heeft verdachtes raadsman desgevraagd medegedeeld van die getuigen vooralsnog af te zien. Het bij pleidooi subsidiair gedane verzoek de oproeping van de getuigen te bevelen, is derhalve een verzoek om gebruik te maken van de in art. 315 Sv toegekende bevoegdheid. De maatstaf daarvoor is of de noodzaak van het verzochte is gebleken. Het oordeel dat verdachte door het achterwege blijven van het horen van de opsporingsambtenaren redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad, impliceert dat de noodzaak tot het horen ontbreekt (HR DD 95.017 en DD 91.325 ). Gelet op de feitelijke omstandigheden van het geval, zoals die bij de bespreking van het tweede middel aan de orde zijn geweest, is het oordeel van het Hof op dit punt niet onbegrijpelijk. De raadsman is lijk van een andere rechtsopvatting over de bevoegdheid tot aanhouding bij heterdaad uitgegaan en in die opvatting kon het horen wellicht iets opleveren. Uitgaande van de juiste opvatting van het Hof was van hun verhoor niets relevants te verwachten. Ook dit middel faalt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/230b955c72d3806b4fb98e0d8ffb842916768cccd1f5008f2735d550601baa01. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 230b955c72d3806b4fb98e0d8ffb842916768cccd1f5008f2735d550601baa01, en de alinea staat in dat document op bytes 18625 tot 19895.