Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 april 2002

Alinea 36 Parket bij de Hoge Raad 12 april 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 april 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD9124.

2.11. Bij dit alles mag niet uit het oog worden verloren dat de vordering van [eiser], zoals deze in het cassatiestadium voorligt, niet rechtstreeks was gegrond op art. 1638x (oud) BW. Onder vigeur van het tegenwoordige vierde lid van art. 7:658 BW kan een werknemer de inlener rechtstreeks aanspreken. Onder vigeur van het destijds geldende recht was de omweg van een actie uit onrechtmatige daad nodig: er was geen contractuele relatie tussen de uitgeleende werknemer en de inlener. Op grond van de materiële norm van art. 6:101 BW(18) zal de rechter eerst een causaliteitsoordeel moeten geven (dat heeft het hof hier gedaan) en vervolgens moeten onderzoeken of de in dat artikel bedoelde billijkheidsmaatstaf aanleiding geeft tot een andere verdeling of zelfs tot het geheel in stand blijven of vervallen van de vergoedingsplicht (dat heeft het hof volgens het middel niet of onjuist gedaan). Bij de toepassing van deze billijkheidsmaatstaf mocht het hof niet abstraheren van de omstandigheid dat [eiser] en De Branding tegenover elkaar stonden in een rechtsverhouding als werknemer resp. inlener.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/235e8a4cbed8e9f63a3d0c2942f72c90a7b4796f8f4bc832238d3385b10d8a36. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 235e8a4cbed8e9f63a3d0c2942f72c90a7b4796f8f4bc832238d3385b10d8a36, en de alinea staat in dat document op bytes 22762 tot 23877.