Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 april 2002

Alinea 36 Parket bij de Hoge Raad 5 april 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 april 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD9145.

14. De eerste opmerking betreft de toepasselijkheid van het Nederlands-Oostenrijks Executieverdrag op het onderhavige exequaturverzoek. De wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van alimentatiebeslissingen in het rechtsverkeer tussen Oostenrijk en Nederland vindt regeling in vier verschillende verdragen: het EEX (Verdrag van 27 september 1968, Trb. 1969, 101), het EVEX (Verdrag van 16 september 1988, Trb. 1989, 58), het Haagse Kinderalimentatie-executieverdrag (Verdrag van 15 april 1958, Trb. 1959, 187) en het Nederlands-Oostenrijks Executieverdrag. Het EVEX en het EEX zijn in het onderhavige geval niet van toepassing, aangezien deze verdragen op resp. 1 september 1996 en 1 december 1998 voor Oostenrijk in werking zijn getreden en de beslissingen waarvan thans tenuitvoerlegging wordt gevraagd zijn gegeven vóór die data (zie art. 54 EVEX en art. 13 lid 1 van Verdrag inzake de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden tot het EEX van 29 november 1996, Trb. 1997, 69). Het Haagse Kinderalimentatie-executieverdrag en het Nederlands-Oostenrijkse Executieverdrag zijn beide wel van toepassing. Er is dus sprake van een samenloop van verdragen. Art. 10 van het Nederlands-Oostenrijks Executieverdrag bepaalt dat dit verdrag geen afbreuk doet aan de bepalingen van andere reeds bestaande en/of toekomstige verdragen die eveneens de erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen regelen. Het Haagse Kinderalimentatie-executieverdrag kent een soortgelijke bepaling: art. 11 bepaalt dat dit verdrag het recht van een onderhoudsgerechtigde om beroep te doen enig ander executieverdrag niet beperkt. Waar blijkens deze bepalingen geen van beide verdragen in geval van samenloop met een ander verdrag aanspraak maakt op exclusieve toepasselijkheid, dient aan de executant de keuze van de meest geschikte internationale regeling te worden gelaten (HR 5 januari 1990, NJ 1991, 591 nt. JCS). Het LBIO heeft blijkens het inleidend verzoekschrift ervoor gekozen zijn verzoek te baseren op het Nederlands-Oostenrijks Executieverdrag. De toepasselijkheid van dit verdrag wordt in cassatie dan ook terecht niet bestreden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e07e957368c63ab513a36d3335825506108bdb8423d00a5f83ed628709c09cb2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e07e957368c63ab513a36d3335825506108bdb8423d00a5f83ed628709c09cb2, en de alinea staat in dat document op bytes 16951 tot 19144.