Citaat | Parket bij de Hoge Raad 23 april 2002

Alinea 21 Parket bij de Hoge Raad 23 april 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 23 april 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD9181.

7. Daar komt bij dat zowel in eerste aanleg als in hoger beroep bij herhaling door de verdediging de wens te kennen is gegeven de onbekend gebleven persoon als getuige te (doen) horen. Zowel Rechtbank als Hof hebben dat verzoek afgewezen op de grond dat niet viel te verwachten dat de getuige binnen afzienbare tijd ter terechtzitting zou verschijnen, gelet op de gebleken onmogelijkheid voor de politie om de identiteit van de getuige te achterhalen. Dat brengt mee dat het Hof ook de in artikel 344, derde lid sub b Sv gestelde beperking heeft veronachtzaamd dat een schriftelijk bescheid als waarvan hier sprake is slechts tot het bewijs kan worden gebezigd, wanneer niet door of namens de verdachte op enig moment in het geding de wens te kennen is gegeven om de persoon wiens verklaring zonder vermelding van personalia is weergegeven te ondervragen of te doen ondervragen, vgl HR 17 april 2001, 02589/00 (samengevat in Nederlands Juristenblad 2001, p. 1002, nr 100).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ca437b56d79c43cd584139da92dba603bd7bad6ab0cace6303757c0e272faeb3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ca437b56d79c43cd584139da92dba603bd7bad6ab0cace6303757c0e272faeb3, en de alinea staat in dat document op bytes 7056 tot 8041.