Citaat | Parket bij de Hoge Raad 25 juni 2002

Alinea 26 Parket bij de Hoge Raad 25 juni 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 25 juni 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD9204.

Na verwijzing zal het Hof volgens de hiervoor onder 3.6 aangegeven maatstaf dienen te onderzoeken of het desbetreffende pand ten tijde van het binnentreden daarvan door de verbalisanten als een woning had te gelden. Indien het hof tot het oordeel komt dat sprake is geweest van het binnentreden van een woning zonder toestemming van de bewoner en zonder dat de daarvoor bij de Algemene wet op het binnentreden gestelde voorschriften zijn nageleefd, zal het, gelet op het bepaalde in art. 359a Sv, onder ogen dienen te zien of aan dat verzuim enig gevolg moet worden verbonden. Voor bewijsuitsluiting is daarbij in beginsel geen plaats indien de verbalisanten op grond van de wijze waarop dat pand zich aan hen aandiende en hetgeen hen overigens omtrent dat pand bekend was en kon zijn redelijkerwijze hebben mogen aannemen dat van een woning geen sprake was.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8a978ca5e85b827ce8034712845be219cfdb1d1fc758343b1cf69900f10a7d38. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8a978ca5e85b827ce8034712845be219cfdb1d1fc758343b1cf69900f10a7d38, en de alinea staat in dat document op bytes 12833 tot 13704.