Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2002

Alinea 137 Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD9222.

52. Dat laatste standpunt doet naar mijn inzicht onvoldoende recht aan de positie van opsporingsambtenaren en leden van het openbaar ministerie. Van hen kan bezwaarlijk worden verlangd dat zij zich richten naar inzichten van de wetgever die naar verwachting tot uitdrukking zullen komen in nog vast te stellen of in te voeren wettelijke bepalingen. Daarom zal, naar mij voorkomt, ook ten aanzien van de normering van opsporingsbevoegdheden en -verrichtingen vastgehouden moeten worden aan het algemene uitgangspunt dat wetswijzigingen van strafprocessuele aard eerst gelding hebben vanaf het tijdstip van inwerkingtreden. De rechter zal de rechtmatigheid van opsporingshandelingen moeten beoordelen naar de maatstaven die golden ten tijde van het uitvoeren van die opsporingshandelingen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/86d07aea9992c05c8fd25929fce82141b4fb98c813bd759eeee904a4b8fd8fb7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 86d07aea9992c05c8fd25929fce82141b4fb98c813bd759eeee904a4b8fd8fb7, en de alinea staat in dat document op bytes 60516 tot 61317.