Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2002
Alinea 149 Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD9222.
Met name ten aanzien van de tijdsduur en intensiteit van de observaties dient naar mijn inzicht voorts benadrukt te worden dat het de feitenrechter vrijstaat de ernst van de feiten waaromtrent verdenking bestond te betrekken in zijn oordeel of de door observatie ontstane inbreuk op de persoonlijke levenssfeer al dan niet van beperkte aard is geweest. Dat oordeel is immers bepalend voor de vraag of art. 2 Politiewet 1993 een voldoende kenbare en voorzienbare wettelijke grondslag voor het observeren vormt, en het lijkt mij (zoals hierboven reeds werd opgemerkt) dat juist een verdenking betreffende ernstige delicten voorzienbaar maakt dat opsporingsambtenaren stelselmatige waarnemingen zullen willen doen om de juistheid van die verdenking te verifiëren en eventueel bewijs te verzamelen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/86d07aea9992c05c8fd25929fce82141b4fb98c813bd759eeee904a4b8fd8fb7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 86d07aea9992c05c8fd25929fce82141b4fb98c813bd759eeee904a4b8fd8fb7, en de alinea staat in dat document op bytes 68842 tot 69651.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/86d07aea9992c05c8fd25929fce82141b4fb98c813bd759eeee904a4b8fd8fb7 | shasum -a 256