Citaat | Parket bij de Hoge Raad 22 februari 2002

Alinea 40 Parket bij de Hoge Raad 22 februari 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 22 februari 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD9328.

"Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Het is op zich juist dat appellanten in eerste aanleg niet het verweer hebben gevoerd dat artikel 2:203 BW van toepassing zou zijn en dat de wijze waarop zij een reconventionele vordering hebben ingesteld, niet op het willen voeren van een dergelijk verweer wijst. Dat betekent evenwel nog niet dat dit verweer ook ondubbelzinnig is prijsgegeven. Het hoger beroep dient er ook voor om fouten en omissies uit de eerste aanleg te herstellen en dat is wat appellanten thans kennelijk beogen. Daarmee is in overeenstemming dat de reconventionele vordering thans voorwaardelijk is ingesteld, namelijk voor het geval in conventie het beroep op deze bepaling niet opgaat. Hetgeen geïntimeerde hieromtrent naar voren brengt leidt niet tot de conclusie dat appellanten het thans gevoerde verweer in eerste aanleg ondubbelzinnig hebben prijsgegeven, zodat dit verweer niet als gedekt verweer terzijde gelaten kan worden."

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/49c8ccac2d11f09d01b868f01d190b52168b37b1e1b7fd51e4d8fa20a721edaf. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 49c8ccac2d11f09d01b868f01d190b52168b37b1e1b7fd51e4d8fa20a721edaf, en de alinea staat in dat document op bytes 11777 tot 12747.