Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 maart 2002

Alinea 45 Parket bij de Hoge Raad 8 maart 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 maart 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD9330.

2.4 In onze zaak heeft de rechtbank ten aanzien van de vraag of de beide toevoegingen in de brief van 25 oktober 1995, al dan niet onderdeel uitmaken van de tussen partijen bereikte overeenstemming, overwogen dat zij de stellingen van Jutphaas dienaangaande "voorshands aannemelijk" achtte, waarmee zij blijkbaar bedoelde dat zij deze bewezen achtte tot op tegenbewijs door [eiser]. Laatstgenoemde heeft bestreden dat die toevoegingen onderdeel vormden van de tussen partijen gesloten overeenkomst. Toen het hof grief II gegrond achtte waarmee het oordeel van de rechtbank werd bestreden dat tussen partijen al op 12 oktober 1995 zonder enig voorbehoud een overeenkomst is tot stand gekomen, stond het derhalve voor de vraag of die overeenkomst dan op 25 oktober 1995 is gesloten, zoals [eiser] subsidiair had betoogd, en meer in het bijzonder of daarvan de ten processe bedoelde toevoegingen onderdeel uitmaakten. Deze vraag lag immers binnen het door de grieven ontsloten gebied; zij betrof een 'tweede-fase-stelling'. Onder deze omstandigheden bracht de devolutieve werking van het appel mee dat [eiser] niet door een (voorwaardelijk) incidenteel appel opnieuw als zijn standpunt naar voren hoefde te brengen dat dit laatste niet was bewezen. Het hof diende zich daarover zelfstandig een oordeel te vormen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d79060bed5b02764f572b1493dd5d17bee2a7ce8dbebbb14fe9b7ebbfc0f3d64. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d79060bed5b02764f572b1493dd5d17bee2a7ce8dbebbb14fe9b7ebbfc0f3d64, en de alinea staat in dat document op bytes 19262 tot 20584.