Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 april 2002

Alinea 105 Parket bij de Hoge Raad 26 april 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 april 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD9339.

30 Zie ook HR 21 mei 1999, zaaknummer 16806 (C97/285), n.g., waarin op de gronden, uiteengezet in de conclusie van mijn ambtgenote De Vries Lentsch-Kostense, het cassatieberoep werd verworpen. De zaak betrof de levering van stenen voor de bouw van een woning, welke stenen door het "uitbloeien" van zouten groen verkleurden. Alhoewel van zaaksbeschadiging in eigenlijke zin geen sprake was, had het hof de schade abstract begroot op de naar objectieve maatstaven bepaalde herstelkosten. Daarmee gaf het hof niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, ook niet nu het betrokken huis inmiddels was verkocht zonder dat reparatie had plaatsgevonden. In onderdeel 15 van haar conclusie merkte de A-G daarover op: "(...) de omstandigheid dat na verwijzing bleek dat de woning was verkocht zonder dat reparatie had plaatsgevonden, behoefde het Hof niet van deze wijze van berekening te weerhouden. Daarbij wijs ik erop dat noch op het moment waarop de wanprestatie werd gepleegd noch op het moment waarop de schade optrad reeds duidelijk was dat [betrokkene] niet tot reparatie zou overgaan."

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/52084badb6ea50eed2d4013f2fc4e10db1d2b53c9c012afd382534fe11752ad1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 52084badb6ea50eed2d4013f2fc4e10db1d2b53c9c012afd382534fe11752ad1, en de alinea staat in dat document op bytes 40931 tot 42030.