Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 juni 2002
Alinea 22 Parket bij de Hoge Raad 4 juni 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 juni 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD9474.
3.3. In de door de steller van het middel genoemde zaak Edwards(1) heeft het EHRM geoordeeld dat art.6 lid 1 EVRM verlangt dat "all material evidence for or against the accused" aan de verdediging wordt geopenbaard. Het bewijs van Edwards betrokkenheid bij het strafbare feit "was mainly based on police evidence, which he contested, that he had confessed to the offences." Door de politie waren bepaalde onderzoeksresultaten (aantreffen op de locus delicti van andermans vingerafdrukken, niet-herkenning door het bejaarde slachtoffer van een foto van Edwards) niet geopenbaard, maar uiteindelijk mocht zulks Edwards niet baten omdat de verdediging alsnog voor het Court of Appeal alle kansen had gekregen aan te voeren wat haar dienstig voorkwam. Myjer schreef in het NJCM Bulletin dat de overweging over 'material evidence' betrekking had op 'onderzoeksresultaten'.(2)
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a73df7553a8fa2f4daad060f2ef3ab799393d39acd43c8d6fbec6a2a14df9f56. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a73df7553a8fa2f4daad060f2ef3ab799393d39acd43c8d6fbec6a2a14df9f56, en de alinea staat in dat document op bytes 9256 tot 10139.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/a73df7553a8fa2f4daad060f2ef3ab799393d39acd43c8d6fbec6a2a14df9f56 | shasum -a 256