Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 juni 2002
Alinea 49 Parket bij de Hoge Raad 4 juni 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 juni 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD9474.
Deze gang van zaken wordt bevestigd door het rapport van 29 mei 2000, opgemaakt door de technisch rechercheurs M. van Oostenbrugge en J.A. Pelt. Daaruit blijkt dat bij het onderzoek de handen van het slachtoffer zijn betrokken en dat sporen, zoals nagelvuil, verzameld zijn en dat vinger- en handpalmafdrukken zijn vervaardigd. Voor dat laatste werden de vingers en de handen schoongemaakt. Hieruit volgt dat het bij de sectie aangetroffen haar zich bij voormeld onderzoek niet reeds in de hand van het slachtoffer bevond. Verder onderzoek aan deze haren had bij deze stand van zaken geen zin. Aldus kan niet worden geconcludeerd dat de verdachte door het verdwijnen van deze haren zo ernstig in zijn verdediging is geschaad dat op grond daarvan de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zou moeten worden uitgesproken. Het verweer houdt dus ook op dit punt geen stand.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a73df7553a8fa2f4daad060f2ef3ab799393d39acd43c8d6fbec6a2a14df9f56. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a73df7553a8fa2f4daad060f2ef3ab799393d39acd43c8d6fbec6a2a14df9f56, en de alinea staat in dat document op bytes 23530 tot 24423.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/a73df7553a8fa2f4daad060f2ef3ab799393d39acd43c8d6fbec6a2a14df9f56 | shasum -a 256