Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 juni 2002

Alinea 54 Parket bij de Hoge Raad 4 juni 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 juni 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD9474.

Het hof oordeelt dat de onderhavige schending van de behoorlijke procesorde niet van een zodanig gewicht is dat deze tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie moet leiden. Uit de rapportage van de politie (o.a. het meergenoemde rapport van 29 mei 2000) blijkt dat men op grond van visueel onderzoek heeft aangenomen dat de haren van het slachtoffer zijn. Dit kan nu dus niet meer op juistheid worden onderzocht. Echter uit de verklaring van de getuige-deskundige Kloosterman begrijpt het hof, dat haren zich in een ruimte als een café gemakkelijk kunnen verspreiden en dat het in de rede ligt dat men er haren van diverse bezoekers op verschillende plaatsen aantreft. Ook indien er haren van een ander dan het slachtoffer worden gevonden, bij voorbeeld die van de verdachte, geeft dit niet meer zekerheid omtrent daderschap.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a73df7553a8fa2f4daad060f2ef3ab799393d39acd43c8d6fbec6a2a14df9f56. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a73df7553a8fa2f4daad060f2ef3ab799393d39acd43c8d6fbec6a2a14df9f56, en de alinea staat in dat document op bytes 26582 tot 27432.