Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 april 2002

Alinea 14 Parket bij de Hoge Raad 9 april 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 april 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD9562.

3.2. In cassatie moet het gebruik dat de rechter maakt van de in art.293 Sv gegeven bevoegdheid om te beletten dat aan enige vraag aan een getuige gevolg wordt gegeven, kunnen worden getoetst. De redenen die de rechter opgeeft moeten die beslissing kunnen dragen.(1) In de onderhavige zaak ontbreekt een motivering van de beslissing. Weliswaar heeft de advocaat blijkens het proces-verbaal direct na de beslissing niet gepersisteerd bij zijn voornemen deze vragen aan de getuige te stellen en is hij evenmin bij pleidooi op de beslissing van het hof teruggekomen en wellicht heeft het hof gemeend dat uit de verklaring van de getuige het antwoord op de tweede vraag kan worden afgeleid en dat het antwoord op de eerste vraag niet van belang was voor enige beslissing in de strafzaak te nemen, maar dan had het hof dat tot uitdrukking moeten brengen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1c7402fc1ff77ac6df100b0dca961429387426800bad50e5d6b4bbf2ebaae619. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1c7402fc1ff77ac6df100b0dca961429387426800bad50e5d6b4bbf2ebaae619, en de alinea staat in dat document op bytes 5344 tot 6206.