Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 mei 2002
Alinea 34 Parket bij de Hoge Raad 3 mei 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 mei 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD9599.
18) Bij die stand van zaken vind ik het onaannemelijk dat de beslissing van de rechtbank zo zou mogen worden begrepen, dat daarin (impliciet) is geoordeeld dat [verweerder] niet eerder dan in de Memorie van Grieven beroep op nietigheid van het (tweede) ontslag zou hebben gedaan. [Verweerder] had zich hierover immers nog in het geheel niet uitgelaten, en had daarvoor ook geen gelegenheid gehad (zodat in de rede ligt dat een oordeel van de hier onaannemelijk bevonden strekking, strijdig zou zijn geweest met de regel die ik aldus samenvat, dat de rechter een feitelijk gegeven dat in het laatste genomen processtuk voor het eerst is ingebracht niet als vaststaand mag aannemen omdat (en dus ook niet: zolang) de andere partij geen gelegenheid heeft gehad zich daarover uit te spreken(11). Het lijkt mij dat ook impliciete vaststellingen zoals die waarvan het cassatiemiddel uitgaat, niet met deze regel verenigbaar zijn).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9787a9b862c0120bc9a80db5f95665d968e037ab6314a4942553790f8459e9a2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9787a9b862c0120bc9a80db5f95665d968e037ab6314a4942553790f8459e9a2, en de alinea staat in dat document op bytes 14587 tot 15524.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/9787a9b862c0120bc9a80db5f95665d968e037ab6314a4942553790f8459e9a2 | shasum -a 256