Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 mei 2002

Alinea 39 Parket bij de Hoge Raad 3 mei 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 mei 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD9599.

22) Ik heb mij afgevraagd of aan het vorenstaande niet in de weg staat, dat de partijen na de vernietiging, in cassatie, van een einduitspraak in appel en na verwijzing van de betreffende zaak, in beginsel geen beroep meer kunnen doen op feiten die in de instanties vóór de cassatieprocedure niet gesteld waren(13). Het laat zich immers verdedigen dat de stelling van de kant van [verweerder] dat deze wèl eerder dan in de Memorie van Grieven de nietigheid van het betreffende ontslag had ingeroepen (met toevoeging van hoe dat inroepen dan wel in zijn werk zou zijn gegaan), als zo'n nieuwe feitelijke stelling moet worden gekwalificeerd(14).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9787a9b862c0120bc9a80db5f95665d968e037ab6314a4942553790f8459e9a2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9787a9b862c0120bc9a80db5f95665d968e037ab6314a4942553790f8459e9a2, en de alinea staat in dat document op bytes 18385 tot 19044.