Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 mei 2002

Alinea 52 Parket bij de Hoge Raad 24 mei 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 mei 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD9600.

2.7.1 De Staat heeft zijn beroep op verjaring aangekleed door er op te wijzen dat het door [eiser] gestelde onrechtmatig handelen op grond waarvan hij thans schadevergoeding vordert (onder meer) zou zijn gelegen in het voorbereiden, vaststellen en handhaven van het besluit van de Minister van 20 maart 1987 (d.i. de beslissing op het bezwaarschrift). Aangezien de bevoegdheid de nakoming van de verbintenis uit onrechtmatige daad te vorderen op die datum is ontstaan, is de verjaring op grond van het bepaalde in art. 1 van de Wet van 31 oktober 1924 op 1 januari 1988 gaan lopen, zodat de vordering van [eiser] op 1 januari 1993 is verjaard. Dat [eiser] op 20 maart 1987 mogelijk onbekend was met het bestaan van zijn vordering doet daaraan niet af. Evenmin is van betekenis op welk moment hij wist, dan wel kon weten, dat hij ten gevolge van de door hem gestelde onrechtmatige daad schade leed (mvg in het incidenteel appèl onder 7 en 8).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a10cebf868056afa0df3b65afe7dadaf9b9bc011bcfa3e7e2153f408bb951847. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a10cebf868056afa0df3b65afe7dadaf9b9bc011bcfa3e7e2153f408bb951847, en de alinea staat in dat document op bytes 12637 tot 13592.