Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 mei 2002
Alinea 58 Parket bij de Hoge Raad 24 mei 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 mei 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD9600.
2.9 Voor het geval moet worden aangenomen dat de verjaringstermijn wel op enig moment zou zijn aangevangen, heeft [eiser] betoogd dat dit moment op zijn vroegst kan zijn gelegen op 19 april 1994, de datum waarop het EHRM zijn arrest in de zaak Van de Hurk tegen de Staat heeft gewezen. Eerst vanaf die datum kon hij zich tot de burgerlijke rechter wenden zodat zijn vordering eerst toen "opvorderbaar" was. Vóór het arrest van het EHRM werd de rechtsgang bij het CBB beschouwd als een met voldoende waarborgen omklede administratieve rechtsgang zodat hij in een vordering tot schadevergoeding gebaseerd op de onrechtmatigheid van de beschikking van 20 maart 1987 bij de burgerlijke rechter niet-ontvankelijk zou zijn verklaard (onder 2.6 - 2.8).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a10cebf868056afa0df3b65afe7dadaf9b9bc011bcfa3e7e2153f408bb951847. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a10cebf868056afa0df3b65afe7dadaf9b9bc011bcfa3e7e2153f408bb951847, en de alinea staat in dat document op bytes 15330 tot 16090.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/a10cebf868056afa0df3b65afe7dadaf9b9bc011bcfa3e7e2153f408bb951847 | shasum -a 256