Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 mei 2002

Alinea 117 Parket bij de Hoge Raad 24 mei 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 mei 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD9601.

4.13 Mr Meijer legt vanzelfsprekend veel nadruk op de in 4.9 onjuist geoordeelde benadering. Zijns inziens ligt voor de hand dat "de "boer" geacht moet worden voldoende tijd te hebben gehad om zijn investeringen tijdig te verrichten (s.t. onder 6.8). Zelfs als men aan zou willen nemen dat dit inderdaad de ratio van art. 11 Bsh. is geweest, kan niet worden gezegd dat die bedoeling goed tot haar recht is gekomen. Met name de snelheid waarmee bouwvergunningen worden verleend (en onherroepelijk worden(9)) is moeilijk voorspelbaar. Daarom is sowieso ongewis of de "de boer voldoende tijd zal hebben". Er is dan ook onvoldoende grond de regeling voor een willekeurig aantal gevallen te interpreteren zoals de geëerde steller doet.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d6400aa62585a7838dbd35445f4c0c0dcaa80b72d697a35b69028b9f9ca4a0c4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d6400aa62585a7838dbd35445f4c0c0dcaa80b72d697a35b69028b9f9ca4a0c4, en de alinea staat in dat document op bytes 34800 tot 35544.