Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 april 2002

Alinea 53 Parket bij de Hoge Raad 19 april 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 april 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD9616.

Als het hof ervan is uitgegaan dat de brief van 31 mei 1989 van de advocaat van [verweerder] en [betrokkene A] geldt als aanmaning in de zin van art. 1286, lid 3, BW (oud), dan heeft het uit het oog verloren dat die brief is verzonden vóórdat de vordering opeisbaar was, en derhalve geen effect kon sorteren. Dit volgt reeds uit de tekst van art. 1286 BW (oud) volgens welke de wettelijke interessen, behoudens bijzondere wettelijke voorschriften, worden berekend van de dag dat zij in rechte worden gevorderd, tenzij de schuldenaar na het opeisbaar worden van de vordering schriftelijk tot betaling is aangemaand(9).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7338a3768e65afae249f20eeb5a306a4cc8714a64397b0ff356220104a32165c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7338a3768e65afae249f20eeb5a306a4cc8714a64397b0ff356220104a32165c, en de alinea staat in dat document op bytes 13588 tot 14220.