Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 mei 2002

Alinea 146 Parket bij de Hoge Raad 3 mei 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 mei 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD9618.

50 Hugenholtz/Heemskerk (1998), nr. 180. Dit wordt, ter onderscheiding van de exceptio pluris litis consortium, wel wordt aangeduid als het jus recursus extensum, zie Veegens/ Korthals Altes/ Groen (1989), nr. 46. Zie voorts: Snijders Wendels, Civiel appel (1999), nr. 137; E. Gras, in: Te PAS (Steinbundel), Deventer/Zwolle 1992, blz. 183 e.v., m.n. 187 en 196-197; W.L. Haardt, Onsplitsbaarheid, in: Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland, Jaarboek 1969-1970, blz. 281 e.v., m.n. 285. Voor rechtspraak, zie: HR 21 november 1952, NJ 1953, 468; HR 5 januari 1962, NJ 1962, 141; HR 21 juni 1968, NJ 1968, 315; HR 27 juni 1975, NJ 1976, 62; Hof 's-Hertogenbosch 11 maart 1997, NJ 1997, 695.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/481d0d47e35ab11b7fb7dbb65b2a71e09e2d42421fe5ed9b03ddeea7de18e328. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 481d0d47e35ab11b7fb7dbb65b2a71e09e2d42421fe5ed9b03ddeea7de18e328, en de alinea staat in dat document op bytes 56789 tot 57530.