Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 oktober 2002
Alinea 83 Parket bij de Hoge Raad 18 oktober 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 oktober 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD9787.
(...) Overwogen wordt dat Nederland van de gegeven vrijheid gebruik heeft gemaakt op de voet van art. 7, derde lid, Wet OB 1968 publiekrechtelijke lichamen aan te merken als ondernemer voor het bouwrijp maken van grond. Daarom moeten onder bouwterreinen worden verstaan bouwrijp gemaakte grond. Er is slechts heel weinig inzicht in de omzetbelasting-systematiek vereist om te beseffen dat art. 7, derde lid, Wet OB 1968 een uitwerking is van de uitsluiting van de belastingplicht van publiekrechtelijke lichamen in art. 4, vijfde lid, van de Zesde richtlijnen dat die bepaling niets te maken heeft met de belastingplicht voor incidentele handelingen in art. 4, derde lid, van de Zesde richtlijn - een regeling die overigens in de nationale wet niet is opgenomen -, noch met de toepassing van de onroerend-goedregeling van art. 13, B, onderdeel h, van de Zesde richtlijn. Niettemin wordt dit verband door de Hoge Raad nadrukkelijk gelegd (...)"
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/74ec4c7d563e5c27b295de3fe58b26389c375a2ae37b24c097588f97c8cb6b0c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 74ec4c7d563e5c27b295de3fe58b26389c375a2ae37b24c097588f97c8cb6b0c, en de alinea staat in dat document op bytes 29039 tot 29995.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/74ec4c7d563e5c27b295de3fe58b26389c375a2ae37b24c097588f97c8cb6b0c | shasum -a 256