Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 oktober 2002

Alinea 84 Parket bij de Hoge Raad 18 oktober 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 oktober 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD9787.

3.11. Ik ben het in zoverre met Van Zadelhoff en Bijl eens, dat het wel zeer voor de hand liggend is om het bepaalde in artikel 7, lid 3, Wet OB 1968 en artikel 3 Uitv. besch. OB 1968 zoveel mogelijk te interpreteren in overeenstemming met artikel 4, lid 5, Zesde richtlijn, en artikel 4, lid 3, Zesde richtlijn daarbij buiten beschouwing te laten. Artikel 4, lid 5, is immers speciaal voor publiekrechtelijke lichamen geschreven en imperatief geformuleerd; het is een - dwingende - lex specialis. Artikel 4, lid 3, Zesde richtlijn daarentegen is niet op een bepaalde groep van (potentiële) belastingplichtigen toegespitst, en is bovendien een 'kan'-bepaling die aan de lidstaten slechts een bevoegdheid toekent; het is een - niet dwingende - lex generalis.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/74ec4c7d563e5c27b295de3fe58b26389c375a2ae37b24c097588f97c8cb6b0c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 74ec4c7d563e5c27b295de3fe58b26389c375a2ae37b24c097588f97c8cb6b0c, en de alinea staat in dat document op bytes 30033 tot 30805.