Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 oktober 2002

Alinea 87 Parket bij de Hoge Raad 18 oktober 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 oktober 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD9787.

3.12. Al neemt men aan dat artikel 7, lid 3, Wet OB 1968 en artikel 3 Uitv. besch. OB 1968 moeten worden uitgelegd in het licht van art. 4, lid 5, Zesde richtlijn, dan blijft er toch nog een vraag over. Artikel 4, lid 5, tweede alinea, schrijft voor dat publiekrechtelijke lichamen voor de handelingen die zij als overheid verrichten toch als belastingplichtige dienen te worden aangemerkt, indien een behandeling als niet-belastingplichtige tot concurrentievervalsing van enige betekenis zou leiden. Dat de richtlijn hier in ieder geval duurzaam verrichte overheidshandelingen op het oog heeft, is voor mij buiten twijfel. Maar vallen incidenteel verrichte overheidshandelingen zonder meer buiten de reikwijdte van artikel 4, lid 5, tweede alinea? Dat is mijns inziens niet geheel zeker. Wellicht speelt bij de beantwoording van deze vraag een rol, of de desbetreffende lidstaat gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid van artikel 4, lid 3, Zesde richtlijn.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/74ec4c7d563e5c27b295de3fe58b26389c375a2ae37b24c097588f97c8cb6b0c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 74ec4c7d563e5c27b295de3fe58b26389c375a2ae37b24c097588f97c8cb6b0c, en de alinea staat in dat document op bytes 31543 tot 32516.