Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 december 2002

Alinea 62 Parket bij de Hoge Raad 6 december 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 december 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD9837.

2.6. De rechtseenheid in het bestuursprocesrecht brengt dunkt mij mee dat de Hoge Raad zich - mede uit een oogpunt van rechtsbescherming - ook thans bij de andere bestuursrechters aansluit. Dat betekent dat voor de ontvankelijkheid van een bezwaar- of beroepschrift bepalend is dat het geschrift door de indiener ervan voor het einde van de bezwaar- of beroepstermijn ter post(16) is bezorgd en - na doorzending door het onbevoegde orgaan - niet later dan een week na afloop van die termijn door het bevoegde orgaan is ontvangen. Die regel zou mijns inziens niet alleen moeten gelden in het geval van een tijdige doorzending - dat is een doorzending binnen twee weken na de verkeerde indiening - maar ook in dat van een fictieve doorzending.(17) Daaronder versta ik een doorzending die niet of na meer dan twee weken is geschied en die - op de voet van BNB 2000/39 - wordt geacht binnen twee weken na de verkeerde indiening te hebben plaatsgevonden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f15f1fbc4cfde58c14999b2e384119bbbd773121939aae4fcc3f61d76540ed9c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f15f1fbc4cfde58c14999b2e384119bbbd773121939aae4fcc3f61d76540ed9c, en de alinea staat in dat document op bytes 22961 tot 23923.