Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 december 2002
Alinea 66 Parket bij de Hoge Raad 6 december 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 december 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD9837.
2.7.4. Het Hof heeft niet onderzocht wanneer het beroepschrift door het Hoofd is ontvangen, maar is ervan uitgegaan dat zulks op 27 oktober 2000 is gebeurd. In cassatie moet veronderstellenderwijs van hetzelfde worden uitgegaan. Evenmin heeft het Hof vastgesteld langs welke weg dat geschrift bij het Hoofd is aangekomen, zodat in cassatie veronderstellenderwijs ervan moet worden uitgegaan dat het geschrift per post is verzonden. Nu het Hoofd zijn doorzendplicht heeft verzaakt, moet - uitgaande van deze vooronderstellingen - het beroepschrift worden geacht op 10 november 2000 ter griffie van het Hof te zijn ingekomen. Dat is binnen een week na ommekomst van de beroepstermijn, zodat - gelet op art. 6:9, lid 2, Awb - moet worden geoordeeld dat het beroepschrift tijdig is ingediend.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f15f1fbc4cfde58c14999b2e384119bbbd773121939aae4fcc3f61d76540ed9c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f15f1fbc4cfde58c14999b2e384119bbbd773121939aae4fcc3f61d76540ed9c, en de alinea staat in dat document op bytes 24841 tot 25642.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f15f1fbc4cfde58c14999b2e384119bbbd773121939aae4fcc3f61d76540ed9c | shasum -a 256