Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 maart 2002

Alinea 111 Parket bij de Hoge Raad 1 maart 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 maart 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD9856.

7.2 In het slot van de schriftelijke toelichting op het middel wordt (nogmaals) gesteld dat het gaat om het gezag dat het Openbaar Ministerie over de opsporing uitoefent. Er worden voorbeelden aangehaald betreffende aanwijzingen die het Openbaar Ministerie zou kunnen geven met betrekking tot opsporingsactiviteiten, ten betoge dat de ondernemingsraden van de korpsen tot wie zulke aanwijzingen gericht zouden zijn geen adviesrecht kan toekomen. Dat spreekt inderdaad vanzelf, maar dit is naar mijn overtuiging de spreekwoordelijke gelijkschakeling van ongelijke soorten ooft. Uiteraard duldt het gezag van het Openbaar Ministerie over opsporingsverrichtingen geen arbeidsrechtelijke tegenspraak van de kant van de politie, maar dat is niet de kern van dit geschil. De bestreden beschikking laat zich aldus verstaan dat niet het Openbaar Ministerie als 'de ondernemer' in de zin van de Wet op de ondernemingsraden is aangemerkt, doch de Staat, handelend in de gedaante van het College van procureurs-generaal. Voorts gaat het niet om de (door de omstandigheden van het geval ingegeven) aanwijzing dat opsporingsactiviteiten in deze of gene richting zullen worden ontplooid, maar om wijziging in een structurele regeling ten aanzien van de bevoegdheid tot beslissen over de inzet van de Rijksrecherche. Daar zit onmiskenbaar een element van gezagsuitoefening van het Openbaar Ministerie over de opsporing in, maar ook een duidelijk beheersaspect. Het College van procureurs-generaal heeft dit zelf in de hand gewerkt, door (in de tot dusverre geldende regeling) die beslissing ten aanzien van sommige, voor onderzoek door de Rijksrecherche in aanmerking komende, zaken te mandateren aan de unithoofden van die dienst. Ofschoon een mandaat uit haar aard herroepbaar is, en het in verhoudingen als de onderhavige niet goed voorstelbaar is dat degene aan wie het mandaat is verleend het intrekken ervan uiteindelijk zou kunnen tegenhouden, valt zeer wel te betogen dat het in overeenstemming met de strekking van de Wet op de ondernemingsraden geweest zou zijn indien het door het College van procureurs-generaal voorgenomen besluit voor consultatie was voorgelegd aan de ondernemingsraad van de Rijksrecherche. Daardoor zou, ook al gaat het naar mijn inzicht om een besluit dat binnen het 'primaat van de politiek' valt zodat het niet aan het oordeel van de rechter onderworpen kan worden, gehoor zijn gegeven aan de door de minister gegeven (Kamerstukken II, 1993/1994, 23 551, nr 3, p. 7) en door de Hoge Raad herhaalde (NJ 2000, 223, r.o. 3.5) aansporing om ook ter zake van zulke besluiten te streven naar goed overleg met aan overheidsinstellingen verbonden ondernemingsraden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/97e68f06f19d4968cfb29083c3c561fb92cddf1f5442f89174186abd0b146a04. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 97e68f06f19d4968cfb29083c3c561fb92cddf1f5442f89174186abd0b146a04, en de alinea staat in dat document op bytes 65025 tot 67716.