Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 maart 2002

Alinea 49 Parket bij de Hoge Raad 1 maart 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 maart 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD9856.

2.9 Het oordeel dat de Staat (het College), de stelling betreffende het feitelijk ongebruikt blijven van het aan de unithoofden verstrekte mandaat niettegenstaande, niet of onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat de reorganisatie van de werkwijze bij de Rijksrecherche, en de instelling van de Coördinatiecommissie die daarbij een centrale rol vervult, belangrijke wijzigingen in de werkzaamheden van de unithoofden zullen meebrengen komt mij daarom niet onbegrijpelijk voor, terwijl daar geen onjuiste rechtsopvatting in gezien behoeft te worden. In het licht van de door de Staat (het College) erkende gevolgen van het voorgenomen besluit voor de werkzaamheden van de unithoofden behoefde de Ondernemingskamer de stelling dat de unithoofden feitelijk reeds geen gebruik maakten van het hen verleende mandaat niet op te vatten als een essentieel verweer, zodat het ontbreken van een nadrukkelijke verwerping van die stelling geen motiveringsgebrek vormt dat tot cassatie moet voeren.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/97e68f06f19d4968cfb29083c3c561fb92cddf1f5442f89174186abd0b146a04. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 97e68f06f19d4968cfb29083c3c561fb92cddf1f5442f89174186abd0b146a04, en de alinea staat in dat document op bytes 20990 tot 21990.