Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 maart 2002
Alinea 52 Parket bij de Hoge Raad 8 maart 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 maart 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD9891.
4.5 De vraag of zulks in het licht van art. 6 EVRM anders wordt doordat aanvankelijk een verhoging (boete) in de navorderingaanslag begrepen was, beantwoord ik ontkennend op grond van dezelfde overwegingen als vervat in de §§ 4 en 5 van de moederconclusie 34.992. Doordat de boete vóór het in staat van wijzen raken van het geding vervallen was als gevolg van belanghebbendes strafrechtelijke veroordeling voor dezelfde feiten, was er geen geding meer over dat een criminal charge betrof en waartoe de belanghebbende op grond van art. 6 EVRM toegang zou moeten hebben. Ik verwijs voor uitgebreide beschouwingen, inclusief een mogelijke andere benadering waarvoor ik echter niet kies, naar mijn conclusie in de moederzaak 34.992.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/68f461ac949de22a56a6c7ada3a3b716b07e1b6b87b6396300a699668e017a7c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 68f461ac949de22a56a6c7ada3a3b716b07e1b6b87b6396300a699668e017a7c, en de alinea staat in dat document op bytes 15269 tot 16014.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/68f461ac949de22a56a6c7ada3a3b716b07e1b6b87b6396300a699668e017a7c | shasum -a 256