Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 juli 2002

Alinea 21 Parket bij de Hoge Raad 2 juli 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 juli 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD9915.

Uit de daar behandelde voorbeelden en casusposities blijkt dat het steeds gaat om situaties waarbij opsporingsambtenaren volledige zekerheid hebben dat er sprake is van verboden voorwerpen en waar deze zich bevinden. Het hof verwijst met name naar de in het rapport besproken Delta-methode en het Bever-onderzoek. Artikel 126 ff van het Wetboek van Strafvordering beoogt aan deze en soortgelijke opsporingsmethoden een eind te maken, hetgeen ook strookt met het vereiste van artikel 126 ff van het Wetboek van Strafvordering dat de vereiste wetenschap ontstaan moet zijn door toepassing van de Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden. Dit alles levert voor de uitleg van het begrip weten in artikel 126 ff van het Wetboek van Strafvordering een sterke aanwijzing op dat het verbod zich uitstrekt tot die situaties dat opsporingsambtenaren weten, in de zin van volledige zekerheid hebben, dat sprake is van verboden voorwerpen en waar deze zich bevinden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a8ea7acfb4e6a0b3cbae5e3752bec7247f77ca4777e1777fb4442526c00eb4f0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a8ea7acfb4e6a0b3cbae5e3752bec7247f77ca4777e1777fb4442526c00eb4f0, en de alinea staat in dat document op bytes 10012 tot 10978.