Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 juli 2002

Alinea 67 Parket bij de Hoge Raad 2 juli 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 juli 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD9915.

22. Tegen deze achtergrond van het in art. 126ff Sv neergelegde verbod van doorlaten - in het bijzonder de werkzaamheden en uitkomsten van de parlementaire enquête opsporingsmethoden, de toelichting op het amendement waarbij art. 126ff Sv werd voorgesteld en het oordeel van de Commissie Kalsbeek - is het duidelijk dat het begrip weten in art. 126ff Sv beperkt moet worden uitgelegd en dat het bestaan van een redelijk vermoeden of ernstige bezwaren daarvoor niet voldoende is. Afgezien van de door het Hof genoemde opsporingsbelangen, zou immers een ruime uitleg als in de middelen bepleit, ook betekenen dat een poging tot inbeslagneming moet worden gedaan in gevallen waarin een behoorlijke kans bestaat dat de verdovende middelen waarvan de aanwezigheid wordt vermoed, niet worden gevonden met het gevolg dat ze (mogelijk) alsnog op de markt komen. De ratio van de bepaling - bescherming van de volksgezondheid - brengt mee dat een - in de bewoordingen van het Hof Amsterdam (Nieuwsbrief strafrecht 1999, 10) - "redelijke mate van zekerheid" bij de politie aanwezig moet zijn wil men verplicht zijn tot inbeslagneming over te gaan. Daarbij zou ik redelijke mate van zekerheid aldus willen uitleggen dat het moet gaan om aanwijzingen die redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel laten dat de in art. 126ff Sv aangeduide voorwerpen op de betreffende plaats aanwezig zijn.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a8ea7acfb4e6a0b3cbae5e3752bec7247f77ca4777e1777fb4442526c00eb4f0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a8ea7acfb4e6a0b3cbae5e3752bec7247f77ca4777e1777fb4442526c00eb4f0, en de alinea staat in dat document op bytes 27992 tot 29381.