Citaat | Parket bij de Hoge Raad 25 juni 2002

Alinea 38 Parket bij de Hoge Raad 25 juni 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 25 juni 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD9964.

24. Anders dan de steller van het middel ben ik niet van mening dat de lijn van de rechtspraak op dit punt kan worden doorgetrokken van verweren die het bewijs betreffen naar verweren die de straftoemeting aangaan. De bewijsvraag is een wezenlijk andere vraag dan de vraag naar de straftoemeting. Dat wil niet zeggen dat met betrekking tot de (on)deskundigheid van rapporteurs omtrent de persoon, niets te pleiten zou overblijven. Slechts, dat voor een responsieplicht een bescheiden plaats wordt ingeruimd, die ik dicht tegen het bij de straftoemeting vigerende verbazingscriterium zou situeren. Dus: dat er slechts dan een gemotiveerd antwoord van de rechter wordt verwacht indien het uitblijven ervan in het licht van dat wat tegen de rapportage wordt aangevoerd verbazing zou wekken.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/951fd733eff4dfb35259eb0fac7fb771034a827b6b47aa0f8510c34219e8f7c2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 951fd733eff4dfb35259eb0fac7fb771034a827b6b47aa0f8510c34219e8f7c2, en de alinea staat in dat document op bytes 17850 tot 18650.