Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 april 2002

Alinea 32 Parket bij de Hoge Raad 16 april 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 april 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE0055.

13. Reeds geruime tijd hanteert de Hoge Raad als regel dat in geval van strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn de rechter in zijn uitspraak behoort aan te geven, in welke vorm of mate de straf is verlaagd, hetgeen betekent dat in de uitspraak ook vermeld dient te worden welke straf zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden (HR NJ 2000, 721, m.nt. JdH, maar ook reeds voor het wijzen van de bestreden uitspraak: HR 20 oktober 1998, NJ 1999, 51). Nu uit de bestreden uitspraak niet kan worden opgemaakt tot welke strafvermindering de overschrijding van de redelijke termijn heeft geleid, is de strafoplegging niet naar behoren gemotiveerd. Het middel treft derhalve doel.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/11a3eceb9597bd4be1d19baeed96418e89d1990890a44fd6307c9c8fa7350fc5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 11a3eceb9597bd4be1d19baeed96418e89d1990890a44fd6307c9c8fa7350fc5, en de alinea staat in dat document op bytes 10861 tot 11602.